A.L. Snijders
  Enkele Zeer Korte Verhalen


Honing
Uit: Bordeaux met ijs, AfdH Uitgevers, 2008.

Als ik thuis kom, staat de jongen naast zijn motorfiets bij de overkapping, hij rookt een sigaretje. Hij woont op een binnenschip aan de IJssel, maar in een loods heeft hij auto’s, tractoren en motorfietsen, alle met geladen accu’s, klaar om weg te rijden. Soms komt hij met een zeer grote Amerikaan, 30 jaar oud, nu met een 2 cilinder bmw, zelfde leeftijd. De vader van de jongen was een chique rechter, een gentleman. De moeder is excentriek, van adel, verbonden met het koningshuis. De jongen heeft zich vermomd. Als de politie hem insluit wegens weerspannigheid, wordt hij opgesloten in de afdeling woonwagens, bij zigeuners en kermisklanten. Als z’n afkomst duidelijk wordt, zijn de agenten te vriendelijk, hij veracht ze. (Ik begrijp het wel, agenten willen liever graaf of baron zijn dan agent.) De jongen vertelt mij dat hij ‘duizend jaar Schots bloed in zijn aderen heeft’. Toen hij op een nacht in het centrum van Z. drie mannen fietsen zag stelen, ging hij met ze vechten. Voor hij het bewustzijn verloor, dacht hij: ‘Ik wijk niet, ik heb Schots bloed.’
     Terwijl hij dit vertelt, zitten we aan tafel koffie te drinken. Hij ziet dat ik honing in mijn koffie doe. Hij vertelt dat hij vroeger ook honing in de koffie deed, maar dattie op suiker was overgegaan toen de pot leeg was. Toenie er weer aan dacht, kochtie twee potten honing, maar die staan nu alweer een jaar onaangebroken in de kast. Hij breekt ze niet aan uit verzet. Ik vraag waartegen hij zich verzet. Tegen mezelf, zegt hij. Hoewel ik het woord interessant  vervelend en vlak vind, gebruik ik het toch, ik vind het heel interessant dat iemand zich verzet tegen zichzelf. Door zijn leven loopt een zeer rode draad: hij wil niet aan verwachtingen voldoen. Ook niet aan die van hemzelf. Om hem te begrijpen moet ik hem splitsen. Er is een jongen die van honing in de koffie houdt, en er is een jongen die hem dwarszit. Daarom wordt de honing niet aangesproken.

Hij woont alleen op het lange schip, hij heeft een schotelantenne en kijkt veel televisie. Maar de IJssel leeft. Als het water zakt, zakt het achterschip verder dan de boeg, die door een zandbank gestuit wordt. Er is geen ontvangst meer, de antenne moet opnieuw gesteld worden. Als hij iemand in de roef heeft (bijvoorbeeld een vrouw) kannie al draaiend en wrikkend het beeld oproepen, en dan tikt de vrouw tegen het raam en knikt lachend (steekt eventueel haar duim op). Maar hij heeft geen vrouw, hij is een alleenslaper. Soms moet hij veertig keer heen & weer lopen om ontvangst te krijgen. Daar heeft hij geen zin in, hij doet de televisie weg, hij kijkt nooit meer.

Nu zijn avonden weer beschikbaar zijn, schrijft hij verhalen. Zijn genre is het zeer korte verhaal. Soms stuurt hij me er een.

     ’s nachts
Verzonken in de nacht. Zoals je soms je hoofd laat zakken om na te denken, zo helemaal verzonken zijn in de nacht. De mensen slapen rondom. Een klein toneelstuk, onschuldig zelfbedrog, dat ze in huizen slapen, in stevige bedden, onder een stevig dak, uitgestrekt en ineengedoken op matrassen, in lakens, onder dekens, in werkelijkheid zijn ze bij elkaar gekomen, zoals toen ooit en zoals later, in een woeste omgeving, een kampement in de open lucht, een onafzienbaar aantal mensen, een leger, een volk, onder de koude hemel, neergevallen op de plaats waar ze stonden, hun voorhoofd tegen hun arm aangedrukt, hun gezicht naar de grond gericht, rustig ademhalend. En jij waakt, bent een van de wachters, vindt de volgende door te zwaaien met het brandende hout uit de takkenbos naast je. Waarom waak je? Iemand moet waken, heet het. Iemand moet er zijn.

Een heel goed verhaal, maar het komt me bekend voor. Ik ga zoeken. Kafka. Ik pak de telefoon, ik zeg: ‘Jongen, je hebt me een heel goed verhaal gestuurd, maar het is van Kafka. Waarom doe je dat?’ Hij zegt: ‘Ik wilde u testen.’
Ik zeg: ‘Ik wil geen examens meer doen, ik ben te oud voor zulke spelletjes, ik wil alles vergeten wat ik heb gelezen en geleerd – daar heb ik recht op, dat moet je begrijpen.’



Pikorde
Uit: Vijf bijlen, AfdH Uitgevers, 2010.

De pikorde interesseert me – wie de baas is, en waarom. Ik heb altijd kippen gehad, soms veel, soms weinig, soms in een ren, soms vrij op het erf. Soms was ik kiploos, als vos of ulk op bezoek waren geweest, maar er kwam altijd wel weer iemand die me nieuwe kippen aanbood. Tegenwoordig heb ik Groninger Meeuwen, raskippen uit Groningen – vreemd dat een vogelras de naam van een andere vogel krijgt. Alsof je een kattensoort Griekse Hond noemt, of een hondenras Tesselse Kat. De Groninger Meeuwen zijn met z’n vijven, maar ze leven gescheiden, want er zijn twee hanen bij, die aanvankelijk broers en vrienden waren, maar toen er hennen bijkwamen broers en vijanden. Ik kan er nog twee Groninger hennen bij krijgen, maar die worden vergezeld door twee meelopers van een ander ras. Goed, breng maar.
     Er is moderne storing op de lijn, ik wil de afspraak een uurtje verzetten, de voicemail blijkt verouderd, als ik thuiskom zitten de vier nieuwelingen in het hok en de haan en zijn hen lopen buiten. ’s Avonds laat ik ze erbij, het gaat gebeuren, assimilatie, integratie of oorlog, het dagelijks leven. Er gebeurt iets wat ik niet begrijp. Kijk, het zijn allemaal kippen, een lichaampje van vlees, een bol veren eromheen, stevige poten, een snavel, een kam. Toch herkent de haan zijn rasgenoten (aan het accentloos tokken? aan het zuivere Groninger Meeuws?) en verstoot hij de meelopers. De volgende dag zet ik het hok open, de strijd en de angst en het onderspit in de kleine ren zijn niet om aan te zien. Ze waaieren uit, de meelopers verdwijnen in de bosjes, de sibbegenoten blijven bij elkaar. In de avond gaat de haan met zijn eigen kip terug naar zijn hok, de nieuwkomers kiezen een plaats in een boom, in twee groepen.
     Ik doe iets wat niet mag, ik betrek het kippengedrag op het mensengedrag. Immigranten die na veel ellende hun plaats hebben veroverd in het nieuwe land. Ze verzetten zich tegen de immigranten die na hen komen. Met de argumenten die ook tegen henzelf zijn gebruikt: het land is vol, ze pikken onze baantjes in, ze willen onze dochters, ze aanbidden een andere god. Ouwe koek. Er is niets tegen te doen, de haan zal ze bevruchten, ze zullen de eieren uitbroeden, tussen de kuikens zullen hanen zitten, zo’n haan zal zijn vader verjagen, ik zal nog iets proberen (een oude-hanen-huis), maar de oude haan wordt doodgepikt als ik even niet oplet. Zo zal het gaan, er is niets aan te doen, de biologie wint.



Topsporters
Uit: Vijf bijlen, AfdH Uitgevers, 2010.

Een nooit eindigende riedel: de jeugd ontspoort. Rouvoet is ontzet over de geslachtelijke omgang. Ik lees het in de krant, het staat vast. Ik denk aan het ontbijt van 15 juli 1988. De jongen zit aan tafel, ik weet niet hoe hij heet, maar ik kook een eitje voor hem. De avond tevoren heb ik hem een lift gegeven, ik pikte hem op bij Amsterdam, hij ging naar Kopenhagen, maar ik ging niet verder dan Klein Dochteren – ik bood hem een bed aan, en maakte hem om zeven uur wakker. We praatten wat, want je kunt niet zwijgen als je met een vreemde ontbijt. Hij vertelde dat hij culturele antropologie studeerde aan de Vrije Universiteit, ik vertelde dat ik iedere week een gedicht uit mijn hoofd leerde. Hij was benieuwd, waarom deed iemand zoiets? Ik had een prozaïsche reden, mijn hersens, het was een anti-dementie-project. Hij vroeg een bewijs, ik declameerde zonder haperen ‘De onbekende vrouw’ van Paul van Ostaijen. Eerste regels:

     Een mooie vrouw is langs me heen gegaan;
     Heel even bleef zij staan
     En keek mij aan;
     Toen is zij weer haar gang gegaan.

Hij vertelde dat hij in een café een meisje had ontmoet dat ook gedichten uit haar hoofd kende. Bovendien volgde ze aan de Universiteit van Groningen twee studierichtingen tegelijkertijd, Nederlands en psychologie. Met succes. En tenslotte liet ze zich alleen naaien door topsporters. Dat laatste had verschillende voordelen: ze waren dom en daardoor kon er geen onverhoedse liefde ontstaan (ze nam, als het even kon, ook nog het liefst getrouwde topsporters, dubbel safe tegen de liefde) en ze hadden geen enge ziektes. (Gedachtegang: topsporters zijn gezond, hun lichaam is hun kapitaal.)
     Ik was onder de indruk – gedichten, twee succesvolle studies, topsporters als gesmeerde dekhengsten – en zei beduusd: ‘Ik hoop dat ze tenminste lelijk was.’ Maar nee, hij bood geen uitweg, het was een meisje van verblindende en schandelijke schoonheid. Hij zuchtte en mompelde: ‘Sommige mensen hebben alles.’

Ik ga nog een stap verder, het meisje is nu twintig jaar ouder, nog steeds mooi, twee kinderen, succesvol psychotherapeute, mooie villa in Paterswolde. Als ze ’s avonds in de krant over de zorgen van Rouvoet leest, knikt ze instemmend, en zegt tegen haar echtgenoot: ‘Goed dat die man iets gaat doen tegen de verwildering van de zeden.’



Paterswolde
Uit: Vijf bijlen, AfdH Uitgevers, 2010.

‘Topsporters’ is gepubliceerd in De Stentor. De geportretteerde vrouw heeft het gelezen, heeft zich herkend en belt mij op. Ik zet mijn stekels op en wacht af. Ze is heel vriendelijk en vraagt of ik het gedicht dat ik op 15 juli 1988 aan het ontbijt voor de lifter heb voorgedragen, nog steeds uit mijn hoofd ken. ‘Nee,’ zeg ik, ‘zulke dingen moeten onderhouden worden, zonder impulsen worden ze grijs en vervagen ten slotte volledig.’ Ze vraagt waar ze het kan vinden. ‘In de verzamelde werken op pagina 78’, zeg ik, ‘maar ik kan het u wel voorlezen.’ Dat vindt ze aardig van me.

     De onbekende vrouw

     Een mooie vrouw is langs me heen gegaan;
     Heel even bleef zij staan
     En keek mij aan;
     Toen is zij weer haar gang gegaan.

     Was zij blond
     Of was zij zwart?
     Ik weet niet meer.

     Alleen heeft zij me ’t hart
     In de fluwelen avondstond
     Oneindiglik gewond;
     En ’t doet me nu zó zeer,
     Dat ik lauwe tranen weende,
     Langswaar zij henen ging,
     Latend ontgoocheling,
     In de droeve kring,
     Die rond mij hing.

     Nu dool ik langs de wegen,
     Het hart met stille pijn doorregen,
     Omdat ‘k het niet weet, waarom ze m’aangekeken
     Heeft en waarom deze onbekende vrouw
     Zoveel rouw
     In mij heeft nagelaten.

     Ach, alleen weet ik dat zij henen ging
     In het gesching
     Van elektrieke kringen;
     Hoog herrezen,
     Latend in mijn wezen
     De geur van haar heliotropen,
     Als een rustig smartenmeer.

Ze stelt me een verrassende vraag: ‘Ben ik die vrouw?’
Ik zeg: ‘Dat lijkt me sterk, het gedicht is van juni 1914, u kan het dus niet lijfelijk zijn. Maar als u aan uzelf denkt als De Vrouw, dan maakt u een grote kans, want zeer veel vrouwen hebben zeer veel mannen ongelukkig gemaakt door slechts één keer langs te wandelen.’
Ze bedankt me voor mijn inzichtelijke poëziebehandeling.